close
  • maandag 6 juli
Algemeen

‘Moedig gedoe’ een nieuwe blog uit de serie ‘Alledagjes’ van Tietia Feikens

‘Moedig gedoe’ een nieuwe blog uit de serie ‘Alledagjes’ van Tietia Feikens

Tietia Feikens
‘Alledagjes’
‘Moedig gedoe’

We zitten op een terras aan het Ijsselmeer. Zij zitten aan een tafeltje voor ons. Een hoogbejaard echtpaar, een beetje verschoten chique. Zij is slecht ter been, haar scootmobiel staat naast haar stoel. Een keurig gekapt hoofd met witte krulletjes, een bril met een goudkleurig montuur en een streng mondje. Ze heeft een crème wollen vest aan, terwijl het behoorlijk warm is. Een grijze broek van een synthetische stof met bruine nylons daaronder. En beige oude-dames-schoenen met van dat gaatjes leer. Eén schoen heeft een verhoogde zool. Ze zit er bij alsof ze in haar stoel is geploft en niet de mogelijkheid heeft zichzelf op te trekken tot een comfortabele positie. Ze hangt wat voorover en haar onbruikbare benen steken in een wat vreemde hoek onder haar stoel uit. Ik vraag me af of ze het niet te warm heeft en wel lekker zit. Misschien vindt ze het teveel gedoe haar kleinere echtgenoot te vragen haar op te hijsen en haar vest uit te doen. Misschien voel ik ook wel iets wat zij niet voelt.

Hij straalt nog iets jeugdigs uit. Aan hem kun je zien dat hij zijn best heeft gedaan zich vlot te kleden voor dit uitje. Zijn grijze haar in een keurige zijscheiding, platgekamd met water. Hij heeft een donkerblauw , enigszins verwassen, overhemd aan en het kraagje frivool omhoog gezet. Een okergeel dun jackje en een donkergrijze broek completeren het geheel. De broek zal vast ooit modieus geweest maar nu ogen de te korte pijpen gedateerd. Hij draagt er donkerbruine sokken en roestbruine, suède bordeelsluipers onder. Hij heeft een olijk gezicht. Aan één kant tenminste want aan de andere kant wordt zijn gezicht ontsierd door een dik paars gezwel op zijn bovenlip, die hierdoor over zijn onderlip hangt. Hierdoor slist en sputtert hij als hij tegen zijn  echtgenote praat. Zij hoort niet meer zo goed en ik zie hem dicht bij haar oor sputteren. Ik vraag me af of er restjes appelgebak met slagroom in haar oor komen, aangezien die overal om zijn mond zitten. Hij kent dit gebrek van zichzelf want hij heeft een grote witte zakdoek bij zich, waarmee hij voortdurend zijn mond veegt.

Onwillekeurig vraag ik me af hoe het er bij hun vanochtend vroeg aan toe is gegaan. Ik stel me voor dat één van hen op het idee kwam om vandaag eens naar dat enige restaurantje aan het Ijsselmeer te gaan. Dat zal nog een hele onderneming zij  geweest. Het lijken me geen campingmensen en het dichtstbijzijnde dorp is kilometers verderop. Zou hij naast haar, in haar scootmobiel, hebben gefietst? Of gelopen? Zou hij haar geholpen hebben met aankleden? ‘lieve, ik wil dat wollen vest aan voor het geval de wind fris is, wil je het voor me zoeken? Ik denk in de kast bij het raam’. Ik stel me voor dat hij haar met zorg heeft aangekleed, nadat hij zichzelf een vette knipoog in de spiegel gaf. Tevreden met zijn vlotte, jeugdige uitstraling. Nadat zij nog voor een laatste keer naar het toilet geweest is, op zich al een hele onderneming, gaan ze op weg. Tot zij paniekerig roept ’mijn  tas! Moet ik dan overal alleen om denken?’ Hij spoedt zich fronsend weer naar binnen om de vergeten tas op te halen. Hij wil opschieten want ’s ochtends vroeg is het nog rustig op het kleine terras en kan hij haar zonder al te veel moeite naar een mooi plekje manoeuvreren, waar haar scootmobiel naast het tafeltje kan.

Zoiets stel ik me voor.

Nadat ze koffie met appelgebak en slagroom hebben gebruikt bestellen ze een lunch. Zij een tosti en hij een pannenkoek. Hij ziet te laat dat er geen schenkdopje in de stroopfles zit en daardoor klotst er een veel te grote straal stroop, dun geworden door de warmte, over zijn pannenkoek. Ik zie haar kijken, maar zij zegt er niets van. Hij probeert de strooprivier naar de zijkanten van zijn bord te leiden. Het voorkomt niet dat zijn pannenkoek druipt. Netjes eten gaat moeizaam, helemaal met zijn lip. Ik zie hem driftig met zijn grote witte zakdoek in de weer, die al niet meer wit is. De stroop loopt hem steeds in straaltjes over zijn kin en er loopt een stroopspoor over zijn overhemd. Zij eet haar tosti en lijkt nog meer voorovergebogen. Misschien schaamt ze zich of misschien wil ze zijn gestuntel gewoon niet zien. Als de eigenaar van het restaurant de borden komt halen verontschuldigt hij zich voor de puinhoop die hij van zijn bord heeft gemaakt. Hij ziet er uit als iemand die altijd keurig heeft gedineerd en zich geneert voor zijn verlies aan decorum. ‘Ah, dat maakt mij niet uit hoor!’ zegt de eigenaar. Hij hoeft die borden natuurlijk ook niet zelf af te wassen en al helemaal niet met de hand.

Het echtpaar besluit weer naar huis te gaan. Het is inmiddels bloedheet en het terras is bommetje-vol. Met zijn hulp slaagt zij erin weer in de scootmobiel te kruipen. Hij helpt haar behendig. Dat heeft hij vaker gedaan, dat zie je. Maar nu komt het spektakelstuk; met scootmobiel en al het terras verlaten zonder brokken te maken. Een grote parasol en een groepje mensen ontnemen mij het zicht op het echtpaar maar ik kan ze horen. ’Je moet achteruit!’ hoor ik hem geërgerd tegen haar zeggen. ‘Ja maar ik gá achteruit’ zegt zij met een piepstemmetje. ‘ Nee! Je gaat helemaal niet achteruit! Je doet het verkeerd!’ gromt hij tussen zijn tanden door, niet meer in staat zijn  woede te verbergen. Ik stel me voor dat hij nu met zijn zakdoek het zweet van zijn gezicht wist. En zij heeft waarschijnlijk klotsende oksels in haar wollen vest.

Ik hoor het motortje van de scootmobiel toeren maken, gebonk tegen de tafels en gerinkel van koffiekopjes. Ik hoor gedoe. Dan hoor ik hem haar weer nijdig toebijten ‘ Je moet dóór! En nog een keer ‘ Je moet doorrrrrr! Ga nou door!’ Zij heeft blijkbaar besloten maar niets meer te zeggen om geen olie op het vuur te gooien want ik hoor haar niet meer. Dan hoor ik mensen behulpzaam tafels en stoelen aan de kant schuiven en dan is het echtpaar om de hoek van het terras verdwenen.

Het hele tafereel heeft me ontroerd want ik besef hoe lastig het moet zijn als je oud wordt en dingen die voorheen doodgewoon leken, zo moeizaam worden. En hoe moedig deze mensen zijn dat ze ze toch blijven doen. En om dan aardig tegen elkaar te blijven zal ook niet altijd makkelijk zijn. Ik heb het al als ik twee of drie keer dingen tegen Jan moet herhalen omdat hij niet zo goed meer hoort. Dan erger ik me soms en het gebeurt wel eens dat ik er dan gefrustreerd ‘Kwartel!’ achteraan gooi. Niet heel aardig van mij natuurlijk. Meestal hoort hij dit ook niet maar toch. Ik besef dat oud worden veel geduld vergt en samen de moed erin houden, leuke dingen blijven doen. Als je het geluk hebt om nog samen te zijn tenminste. Ik besluit dat ik deze twee oudjes de helden van mijn dag vind!

Geschreven door: Redactie